‘Welkom in het hol van de leeuw’
‘Een geschenk,’ zo typeert Don Olthof, lid van de Raad van Bestuur van Iriszorg, het boek M’n vrouw kwijt. ‘Ik ben er niet met plezier aan begonnen, maar ik heb het wel met plezier uitgelezen,’ zegt hij tijdens een ontmoeting met de schrijver. Ruud Rutten, voorzitter van de Raad van Bestuur van Tactus Verslavingszorg, vult aan: ‘Het is confronterend maar daarom ook leerzaam.’ De auteur, die zich had voorbereid op een zwaar gesprek, is even uit het veld geslagen. ‘In mijn boek schets ik bepaald geen rooskleurig beeld van het leven binnen de muren van de kliniek. Deze reactie had ik niet verwacht.’
Vervolg van: Welkom in het hol van de leeuw
Verslag van een gesprek met Don Olfhof en Ruud Rutten, 16 september 2009, Arnhem
Op een warme dag in augustus 2006 reed ik naar de kliniek van Iriszorg aan de Kronenburgsingel om mijn vrouw op te halen. Uitgeput was ze. Ze plofte neer op de achterbank en wist nog maar één ding zeker: ik ga nooit, nee nooit meer terug. Ik dacht er net zo over, maar vandaag rij ik toch weer die kant op. Dit keer op uitnodiging.
Jack Dane van GGZ Nederland heeft de ontmoeting georganiseerd. Hij heeft de heren Olthof en Rutten benaderd. Don Olthof vertegenwoordigt de instelling in Arnhem, Ruud Rutten is voorzitter van het bestuurdersoverleg en vertegenwoordigt de andere verslavingszorg instellingen. Beiden hebben laten weten dat zij graag met mij van gedachten wisselen. Vandaar dat ik vandaag, ruim drie jaar nadat ik mijn vrouw er had weg gesleept, terugkeer naar wat ik als het hol van de leeuw beschouw.
In mijn boek schets ik geen flatteus beeld van de verslavingszorg. Zouden de heren open staan voor de kritiek? Of zullen zij mijn verhaal aan flarden scheuren?
Na de plichtplegingen over en weer, steekt Don Olthof van wal. ‘Ja, hoe gaat zoiets? Opeens ligt er dan een boek op je bureau. Ik las de achterflap en dacht: hier ga ik niet vrolijk van worden. Ik ben er dan ook niet met plezier aan begonnen. Maar ik heb het wel met plezier uitgelezen. U bewaart een prettig soort neutraliteit. U spaart iedereen maar ook niemand, ook u zelf niet. Daarom kunnen we er wat mee. Als een frontale aanval geopend wordt, schiet iedereen meteen terug en leert niemand er wat van. Uw boek is anders. Ik heb het ook aan collega’s laten lezen en hun conclusie was dezelfde als die van mij: dit is herkenbaar. Dit zijn de dilemma’s waarover we moeten doorpraten.’
‘Waar we nog zeker niet over uitgepraat zijn,’ zegt Ruud Rutten, ‘is de vraag hoe we met de naastbetrokkenen moeten omgaan. Persoonlijk ben ik van mening dat wij hen er veel nauwer bij moeten betrekken dan we nu doen. Zelfs als de relatie al langere tijd ontwricht is, zou de partner niet buitengesloten mogen worden. Al helemaal niet als er ook nog kinderen in het spel zijn. Om dan nog maar te zwijgen over het verhaal van u en uw vrouw. Wanneer een cliënte manisch is geworden en dan ook nog verliefd wordt op een ander groepslid, is dat natuurlijk geen reden om het contact met de partner te verbreken. ’
Olthof: ‘Ik vraag me ook af hoe het kon gebeuren dat een vrouw met de diagnose zoals u die beschrijft, bij ons in de kliniek belandt. En dat vervolgens niet of nauwelijks rekening wordt gehouden met de manisch depressieve stoornis waar zij last van heeft. Ik heb het dossier er niet bij gehaald en ik wil ook wegblijven van een specifiek oordeel over deze zaak. Het staat voor mij echter wel vast dat in de communicatie iets heel erg is misgegaan. Niet alleen met u, maar ook met kliniek die uw vrouw naar ons heeft doorverwezen. Dat is ook het eerste wat onze geneeskundige zei toen hij het gelezen had. Waarom ben ik hier niet bij betrokken geweest? Toch wil ik uw verhaal niet afdoen als een incident of als een bizarre samenloop van omstandigheden. Daarvoor is het is te herkenbaar.
Ik vrees dat onze geschiedenis nog steeds doorklinkt in het hier en nu. Onze kliniek vindt zijn oorsprong in wat destijds de Therapeutische Gemeenschap werd genoemd. De filosofie was, kort samengevat, de oude identiteit afbreken en een nieuwe opbouwen. Daar werd de tijd voor uit getrokken. De cliënt werd voor een jaar of twee, of nog langer, opgenomen. Hij of zij werd afgeschermd van de boze buitenwereld en het was de bedoeling dat hij er als een nieuw mens weer uit zou komen.’
Rutten: ‘Ik herken ook de TG- mentaliteit. De filosofie is achterhaald, het beleid is al lang en breed aangepast, maar de sporen zie je nog steeds terug. Sommige hulpverleners gaan op de oude voet verder en zetten de TG- traditie voort. Oude vormen en gedachten sterven niet zo snel als we zouden willen. We kunnen weliswaar nieuw beleid ontwikkelen, maar dat wil niet zeggen dat iedereen dat ook onmiddellijk omarmd. Intussen blijven de dilemma’s rond de omgang met naastbetrokkenen onverminderd lastig. Gelukkig krijg ik niet zo veel klachten, maar als ik klachten krijg, hebben ze altijd op deze problematiek betrekking. Die klachten komen bijna altijd uit de hoek van de betrokkenen. De cliënten en cliëntorganisaties vinden echter dat de instelling zeer streng moeten omgaan met de wensen van hun cliënten en daarom niet teveel mag ingaan op klachten en verzoeken van hun relaties.
Wij krijgen patiënten over de vloer die zeggen: ‘Ik wil graag geholpen worden, maar ik wil absoluut niet dat je mijn partner er bij betrekt. Doe je dat toch, dan ga ik weg.’ Wat moeten we dan? Ons aan de wet houden? Sommige wetten schrijven ons voor dat we vooral naar de cliënt moeten luisteren. Daar hebben cliëntenorganisaties zich met succes voor ingespannen. Andere wetten manen ons echter dat we netjes moeten omgaan met partners, familieleden en de maatschappij. Een lastig dilemma. De Inspectie spoort ons dan aan om ‘moedig’ op te treden. Maar de vraag is: wat is verstandig? Wat is wijsheid?
Dat is de vraag waar ik als bestuurder mee worstel. Ik begrijp dat de therapeut zich op de cliënt wil richten en geen dingen wil doen die het nog broze vertrouwen kunnen schaden. De partner mag echter niet uit beeld raken. Ik vrees dat we ons in negen van de tien gevallen niet scherp genoeg bewust zijn van zijn rol in het geheel. Vergeten wordt dan dat ook zijn of haar huwelijk en levensgeluk op het spel staan. Daarom geloof ik dat we een fundamentele discussie moeten voeren over het beleid richting partners en familie. Uw boek komt in die zin goed van pas. Het is confronterend maar daarom ook leerzaam.’

